sociaal-juridisch nieuws

terug naar lijst
09-07-2012

Tijd voor Europese vakantie

1.    Inleiding

Momenteel wordt het recht op jaarlijkse vakantie pas uitgeoefend tijdens het kalenderjaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelke de werkelijke of gelijkgestelde prestaties die in aanmerking worden genomen voor de uitoefening van dit recht hebben plaatsgevonden.

Het gebeurt dan ook dat werknemers in bepaalde gevallen geen 4 weken vakantie kunnen nemen, ook niet na het eerste jaar werken.

Het nieuwe stelsel van jaarlijkse vakantie, de zogenaamde aanvullende vakantie geeft gevolg aan de opmerkingen die de Europese Commissie heeft geuit.

Reeds in de Programmawet van 29 maart 2012 werd het volgende voorzien: ”Per periode van
3 maanden activiteit bij het begin of de activiteitshervatting, kan de werknemer aanspraak maken op een week aanvullende vakantie vanaf de laatste week van de betreffende periode van 3 maanden”

Het KB van 19 juni 2012 zorgt nu voor de uitvoering ervan..

Concreet zal aan de werknemer, op diens vraag, aanvullende vakantie en vakantiegeld worden toegekend aan het begin van de activiteit of bij de hervatting ervan na een langdurige onderbreking.

Het betreft een systeem ter aanvulling van het gewone stelsel; de werknemer hoeft geen keuze te maken tussen het ene of het andere stelsel. Hij kan gewoon kiezen om de aanvullende vakantie op te nemen, die, in tegenstelling tot het gewone stelsel, niet verplicht moet worden opgenomen. De aanvullende vakantie is een aanvulling op de gewone vakantie.

De aanvullende vakantie zal binnen het stelsel worden gefinancierd door de werknemer, door middel van een prefinanciering met het dubbel vakantiegeld van het volgende jaar.

2.    Voor wie geldt de aanvullende vakantie?

De werknemer kan genieten van aanvullende vakantie wanneer volgende voorwaarden zijn vervuld

  1. Een activiteit in dienst van één of meerdere werkgevers wordt aangevat of hervat
    Onder aanvatten van een activiteit moet worden verstaan, iedere activiteit van een werknemer die nooit geheel of gedeeltelijk onderworpen is geweest aan de vakantiewetgeving voor de privé-sector.
    Volgende situaties worden hiermee bedoeld
    • de werknemer die een beroepsactiviteit als werknemer aanvat;
    • de werknemer die een activiteit als werknemer uitoefent na een periode van activiteit in het buitenland;
    • de werknemer die overgaat van het statuut van zelfstandige naar het statuut van werknemer;
    • de werknemer die overgaat van de overheidssector naar de privésector.

    Onder hervatten van een activiteit wordt verstaan de werkhervatting:
    • na een periode van volledige werkloosheid;
    • na een lange ziekteperiode;
    • na een volledige loopbaanonderbreking of tijdskrediet;
    • na een verlof zonder wedde.
  2. Werkelijke arbeidsprestaties hebben verricht (of met arbeid gelijkgestelde onderbreking hebben gehad) tijdens tenminste 3 maanden al dan niet doorlopend gedurende eenzelfde kalenderjaar

    Deze periode van 3 maanden wordt de aanloopperiode genoemd. Voor zowel de aanloopperiode als voor de duur van de aanvullende vakantie wordt dus ook rekening gehouden met de arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur.
  3. Dit recht op aanvullende vakantie kan evenwel slechts worden gebruikt nadat alle vakantiedagen die zijn toegekend op basis van de huidige wetgeving (dus in functie van de prestaties tijdens het vorige dienstjaar) zijn opgenomen.

3.   Gemeenschappelijke bepalingen voor de berekening van de aanvullende vakantieduur.

De berekening van de vakantieduur voor de arbeiders of voor de bedienden die een activiteit aanvatten of hervatten gebeurt in 4 stappen:

1e stap
De berekening van het aantal vakantiedagen op basis van de prestaties van het lopende kalenderjaar (vakantiejaar)

2de stap
De berekening van het aantal vakantiedagen op basis van de prestaties van het vorige kalenderjaar (vakantiedienstjaar)

3de stap
Het hoogste resultaat van deze berekeningen geeft het aantal vakantiedagen waarop de werknemer recht heeft tot op het ogenblik van de berekening.

4de stap
Van de bekomen vakantieduur wordt de in 2de stap berekende aantal vakantiedagen, beschouwd als verplicht bij voorrang op te nemen gewone vakantie en het saldo wordt beschouwd als aanvullende vakantie.

Voorbeeld
Een werknemer heeft geen prestaties in 2011 en begint te werken op 1 oktober 2012.
Berekening in december 2012
1ste stap: 3 maanden x 2 dagen per gewerkte maand = 6 dagen
2de stap: 0 maanden = 0 dagen
3de stap: 6 dagen.
4de stap: 6 – 0 = 6 dagen aanvullende vakantiedagen

In 2013 werkt hij 9 maanden.
Berekening.
1ste stap: 9 maanden x 2 dagen per gewerkte maand = 18 dagen
2de stap: 3 maanden( 2012) x 2 dagen per gewerkte maand = 6 dagen
3de stap: 18 dagen
4de stap: 18 – 6 dagen gewone vakantie = 12 dagen aanvullende vakantie


4.    Duur van de aanvullende vakantie voor de arbeiders

  1. De aanvullende vakantie voor de arbeiders wordt bepaald op basis van onderstaande tabel en verminderd met de wettelijke vakantiedagen

    Totaal aantal dagen normale effectieve arbeid Aantal wettelijke vakantiedagen in het voltijdse 5 dagen weekstelsel Totaal aantal dagen normale effectieve arbeid Aantal wettelijke vakantiedagen in het voltijdse 5 dagen weekstelsel
    231 en meer
    van 221 tot 230
    van 212 tot 220
    van 202 tot 211
    van 192 tot 201
    van 182 tot 191
    van 163 tot 181
    van 154 tot 162
    van 144 tot 153
    van 135 tot 143
    van 125 tot 134
    20
    19
    18
    17
    16
    15
    14
    13
    12
    11
    10
    van 106 tot 124
    van 97 tot 105
    van 87 tot 96
    van 77 tot 86
    van 64 tot 76
    van 48 tot 63
    van 39 tot 47
    van 20 tot 38
    van 10 tot 19
    van 0 tot 9
    9
    8
    7
    6
    5
    4
    3
    2
    1
    0
  2. Het aanvullend vakantiegeld voor de arbeider

    Het bedrag van het aanvullend vakantiegeld van de werknemer is gelijk aan 7,69 pct. van de lonen van de periode die recht geeft op aanvullende vakantie gevraagd door de werknemer, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde inactiviteitsdagen.

    Het aanvullend vakantiegeld wordt aan de werknemer uitbetaald ten laatste in de loop van het kwartaal volgend op het kwartaal tijdens hetwelk het recht op aanvullende vakantie werd uitgeoefend.

    Aanvullende vakantie wordt toegekend op basis van een formulier overhandigd door de werknemer aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of aan een bijzonder vakantiefonds. Dit gedateerd en ondertekend formulier wordt opgemaakt volgens een model goedgekeurd door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.

    Het aanvullend vakantiegeld komt in mindering van de uitbetaling van het vakantiegeld van het jaar volgend op het opnemen van deze aanvullende vakantie ten belope van maximum 50 % van het gewoon vakantiegeld.

    Opmerking: Het aanvullend vakantiegeld voor de arbeider wordt uitbetaald door de RJV of de bijzondere vakantiefondsen. Op het aanvullend vakantiegeld zijn dezelfde inhoudingen en bijdragen verschuldigd als op het wettelijk dubbel vakantiegeld ( de inhouding van 13,07 % en de solidariteitsinhouding van 1%). Fiscaal wordt dit niet beschouwd als een voorschot maar als normaal vakantiegeld. Dus de normale bedrijfsvoorheffing van 17,16% voor belastbare vakantiegelden tot 1.240,00 € en 23,22 % voor de belastbare vakantiegelden boven 1.240,00 €.

5.    Duur van de aanvullende vakantie voor bedienden

  1. Vanaf de laatste week van de aanloopperiode van 3 maanden heeft de werknemer recht op maximum zes vakantiedagen in een arbeidsstelsel van zes dagen per week.

    Indien de werknemer is tewerkgesteld volgens een ander arbeidsstelsel, heeft hij recht op vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel tijdens zijn aanloopperiode.

    Na de aanloopperiode wordt de vakantieduur bepaald naar rato van twee dagen per maand prestaties verricht bij een of meerdere werkgevers indien de werknemer is tewerkgesteld in een arbeidsstelsel van zes dagen per week.

    Indien de werknemer in een ander arbeidsstelsel is tewerkgesteld, heeft hij recht op vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel.
    De aldus bepaalde vakantieduur wordt verminderd met het aantal wettelijke vakantiedagen
  2. Het aanvullend vakantiegeld voor de bediende

    De werkgever betaalt aan de werknemer op de gewone datum voor uitbetaling van het loon een bedrag gelijk aan zijn normaal loon voor de dagen aanvullende vakantie.

    Het vakantiegeld voor de aanvullende vakantie komt in mindering van latere uitbetalingen van vakantiegeld.
    De aftrek moet gebeuren op het vakantiegeld van het jaar dat volgt op de opname van de aanvullende vakantie en indien nodig op het vakantiegeld van de volgende jaren of, in voorkomend geval, op het vertrekvakantiegeld.
    Opmerking: Op het aanvullend vakantiegeld voor bedienden wordt enkel de inhouding van 13,07 % verricht, net zoals op het dubbel vakantiegeld. Op het vlak van de bedrijfsvoorheffing zou de normale bedrijfsvoorheffing van toepassing zijn omdat het hier een doorbetaling van loon betreft maar dit moet nog bevestigd worden.
  3. Vakantieattest van de bediende
    Het vakantieattest dat aan de bediende bij het vertrek uit de onderneming wordt overgemaakt moeten volgende bepalingen worden op genomen:
    • de brutobedragen van het uitbetaald aanvullend vakantiegeld
    • het aantal dagen aanvullende vakantie reeds opgenomen door de bediende en het arbeidsstelsel waarin deze vakantiedagen werden opgenomen.

6.    Inwerkingtreding

De regels rond de aanvullende vakantie hebben uitwerking met ingang van 1 april 2012 en zijn van toepassing voor de eerste maal op de vakantie die in 2012 wordt opgenomen.
Concreet betekent dit de bediende hun aanvullende vakantie kunnen aanvragen vanaf 25 juni 2012 op het einde  van de aanloopperiode van 3 maanden te rekenen vanaf 1 april 2012.
Arbeiders kunnen hun aanvullende vakantie opnemen vanaf 1 juli 2012.

Bron: Koninklijk besluit van 19 juni 2012 tot uitvoering van artikel 17bis van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, B.S. van 28 juni 2012.

 

terug naar lijst